Nieuwe informatie over Jorwert

Het historisch archief van Jorwert blijft groeien. Regelmatig ontvangen we waardevolle aanvullingen, verhalen en beeldmateriaal van (oud-)inwoners en geïnteresseerden. Lees hier de nieuwste ontdekkingen en toevoegingen aan onze dorpsgeschiedenis.

HET DAGBOEK VAN SIPKE SIESLING

Hier de weergave van een dagboek van mijn pake Sipke Siesling. Het dagboek was en of is in het bezit van mijn nicht Ymie Kingma en ik heb er ooit eens een kopie van gemaakt.

Ik heb het destijds niet in zijn geheel gelezen, maar wilde het delen met mijn broer Bernard, en heb het manuscript bij hem achter gelaten om te lezen, temeer omdat het zich voor een groot gedeelte in en rond de bakkerij afspeelt.

Toen hij mij onlangs bij een bezoek aan de bakkerij vroeg hij of ik het manuscript nog eens in zijn geheel aandachtig zou willen lezen, omdat hij erachter wilde komen wanneer de familie Siesling het 100 jaar jubileum als bakkerij zouden bereiken. ( 1-11-1923 is de overdracht). Daarop heb ik het manuscript weer meegenomen en heb daarna besloten om het document in een Word/PDF document over te nemen om het bij komende generaties onder de aandacht te brengen, te meer omdat men de beschreven periode 1900-1950 als kantelpunt kunt zien. Hierna ziet men door technische ontwikkelingen een significant andere periode.

Ik hoop mijn kinderen, (achter) kleinkinderen nog een inkijkje te kunnen geven in wat er in 100 jaar in maatschappelijk opzicht kan veranderen. Misschien dat ik zelf ook nog een periode voor mijn rekening neem (1960-2021), om het grote maatschappelijke verschil tussen 1920 en 2020 in fases te laten zien.

Het document van pake Sipke is voor 100% authentiek. Soms zijn de zinnen ietwat ingekort omdat de zinnen in het originele document wel heel erg lang waren. Jullie kunnen wel ervaren dat het taalgebruik in die tijd wel heel anders was al tegenwoordig.

De woorden, waarvan ik denk dat jullie die niet zullen begrijpen heb ik in een voetnoot vertaald. De vermelde nummers corresponderen met de bladzijden van het dagboek.

Sipke Bernard Siesling, Leeuwarden 27-3-2021

 

Voorwoord Oude Bildtdijk 1958

In dit boekje wil ik trachten mijn levensgeschiedenis zo goed mogelijk onopgesmukt op papier te schrijven, en de levensgewoonten van verschillende soorten mensen, waarmee ik in aanraking ben geweest, voornamelijk van vroegere jaren, het lijkt me wel interessant dat als ik nog wat gezond mag blijven, en nog zo goed kan schrijven dat dit dan later nog eens gelezen kan worden.

opgetekend door: Sipke Bernard Siesling, Leeuwarden 27-3-2021.

Als zoon van een turfschipper, geboren 30 maart 1895 bij het Weidumerhout, dat is een brug die daar over de Sneker Trekvaart

(De Zwette) ligt, want zoo was het leven van een schipper voor 63 jaar terug. Ons domicilie was Jorwerd, en als zodanig was ik ook ingeschreven als geboren te Jorwerd op het schip de vier gebroeders, maar ‘t leven van een schipper was een zwervend leven, en waar moest hij dan zomaar om hulp heen, als er een dokter ofzo bij te pas moest komen, dat hing dan dikwijls van geluk af en ook vertrouwen op de voorzienigheid, dan komt het steeds weer goed. Als jongste van de zes kinderen, mijn oudste broer en ik scheelden zeventien jaar, dan een vijftien jaar verschil en dan van dertien jaar verschil en dan twee zusters van elf en negen jaar verschil, zodoende kwam ik negen jaar achteraan.

Van mijn eerste levensjaren weet ik natuurlijk niet veel te vertellen, maar wel van mijn zesde jaar af. Mijn oudste broer heb ik nooit thuis gekend, hij was met 17 jaar al weg als schippersknecht, hij voer toen al op een rijnaak in Zeeland. Vlissingen was de plaats waar ze thuishoorden. Maar niet zoals nu met die grote schepen met een motor gingen, nee met zeilen, en dus een zwaar leven was het voor zo’n jongen, en ach zo’n heimwee had hij gehad, zo jong nog en dan zo veraf. Hij heeft dat twee jaar volgehouden, daarna is hij bij een beurtschipper gekomen van de Lemmer op Amsterdam, iedere week een reis heen en terug, ook een zeilschip. Hadden ze dan tegenwind dan moesten ze laveren en hadden natuurlijk veel langer werk om op de plaats van bestemming te komen, als de wind gunstig was konden ze het in zeven uur doen.

Ook gebeurde dikwijls dat er vissersschepen op zee waren, waar ze dan wat vis van kregen dan was de schipper of kapitein zoo je maar wilt noemen, onderweg aan ‘t vis bakken, waar ze dan heerlijk van konden smullen, drie knechten en een schipper vier man waren er aan boord. Hoelang of hij dit heeft gedaan weet ik niet, maar ik weet wel dat hij niet lang vrijgezel is gebleven, met twee of drieëntwintig jaar is hij getrouwd met Anna Zijlstra, ook een uit Jorwerd en was zes of zeven jaar ouder. Toen ze getrouwd waren zijn ze naar Dokkum gaan te wonen, waar hij in ’t boterfabriek in de kaasmakerij kwam te werken. Het loon bedroeg toen acht a negen gulden per week, daar moest dan ook nog huur voor een woning af.

Later hoop ik hier weer op terug te komen, wij weten nu hoe het in ’t eerst met mijn oudste broer Jan ging, wij moeten nu eerst maar eens over mijn andere broers en zusters iets weten. Met mijn broer Geert was dat anders, die is altijd op ’t schip gebleven, niet altijd onafgebroken thuis, maar toch heeft hij het schippersleven niet kunnen vergeten bij zijn leven. Ook heeft hij het van mijn ouders overgekregen, toen die er met op hielden. Geert was ook de naam van pake, van vaderskant, en die was ook al schipper, dus wel voor goed van ouds uit het schippersleven, mijn vader heeft zijn eigen vader nooit gekend, hij was nog maar drie jaar oud toen hij stierf. Pake was drieëndertig jaar geworden, ik heb vader wel eens horen vertellen, dat hij een emmertje slootwater opschepte en eruit dronk en ’s avonds was hij al weg. Er zaten cholerabacillen in ‘t water. Beppe is toen nog eens getrouwd met een Zwart, ik vermoed dat die eerst schippersknecht bij haar is geweest en waar zij toen uit verlegenheid is mee getrouwd omdat haar kinderen: mijn vader drie jaar, Oom Sipke zeven jaar, en nog een meisje daartussenin, met die Zwart is zij nog zeven jaar getrouwd geweest, maar toen waren de kinderen al groter geworden en kon ze haar daar mee redden. Toen Oom Sipke trouwde en ook weer schipper werd, is mijn vader tot zijn dertigste jaar bij beppe gebleven, zij is toen in een kamertje in Jorwerd komen wonen en ons moeder kwam voor haar in de plaats op ’t schip. Beppe heeft toen nog twaalf jaar geleefd, en is gedurende al die jaren door mijn vader onderhouden. Vader heeft dit wel begrepen: Eert Uw Vader en Uw Moeder opdat uw dagen verlengd zullen worden en dat was bij ons vader ook wel in vervulling gegaan want hij is een en negentig jaar geworden, nooit ziek geweest en negentien jaar alleen gewoond.

Mijn jongste broer Libbe, evenals mijn zuster Griet zijn beiden al heel jong nog van huis gegaan, Libbe was denk ik zo’n vijftien jaar, toen is hij naar Grouw gegaan, in een drukkerij, hij kwam toen bij een tante, die met een broer van mijn moeder getrouwd geweest was in de kost. Later, misschien een paar jaar, toen is hij in Sneek op een drukkerij gekomen, daar is hij gebleven tot hij in dienst moest. Mijn andere broers waren beide vrijgeloot, dat kon vroeger, ook als je niet verscheen dan trok de burgemeester voor je en kreeg je wel bericht welk nummer als je had gekregen, was dat een hoog nummer dan was je vrij anders moest je soldaat worden tenzij er zulke waren er soms ook wel die een remplaçant1 voor hun namen, d.w.z. als ze een paar honderd gulden hadden, dan konden ze er wel een vinden die wel voor hun in dienst wou, daar kon je wel op uit opmaken, dat het geld toen nog al wat had te zeggen, later kon dat niet meer.

Zelf ben ik afgekeurd voor de militaire dienst, mijn rug was niet recht zei de dokter, er kwam nog een dokter mij en bekijken en zoo en eindelijk was ’t kleed je maar weer aan, bij het weggaan kreeg je een briefje afgekeurd, nu speet me niet. Zuster Griet die nu nog in Sneek woont, heb ik nooit bij ons thuis op ’t schip gezien heel jong nog is zij eerst bij Tante Anna, een zuster van mijn moeder, geweest, die was niet zoo sterk en wou graag wel wat een help hebben.

Tante Anne was met Pieter Staastra getrouwd en werkte op het postkantoor in Sneek, dus Griet was al in Sneek en zij is er nu nog, ik denk dat ze er ongeveer zo’n zestig jaar heeft gewoond, nu was Sneek vroeger niet zo’n grote remplaçant – plaatsvervanger stad, ongeveer zestien duizend, en dat is nu meer dan verdubbeld. Dus Klaske, mijn jongste zuster en Geert waren thuis en ik dan vanzelf toen ik er negen jaar later nog bijkwam. Ik zal nu ‘t een en ’t ander over het schippersleven schrijven.

Hoe schippersvrouwen zich in vroeger tijden in alles moesten behelpen, daar is haast geen voorbeeld van, in zo’n klein vronder, dat is een kajuitje waar ze in moesten wonen, en alle werkzaamheden, die er bij een huishouding behoren, om die zoo goed mogelijk te verrichten, 2 ½ meter lang ook zoo breed ongeveer en 1 meter 50 hoog. Een volwassen mens kon nooit rechtop staan, dus alle werkzaamheden moesten zittend gebeuren of geheel voorover met gebogen hoofd. Vier kleine stoeltjes zonder leuning, iedere kant twee en een bank en in ’t midden een tafeltje zoals je wel aantreft in herbergen, een peterolie lamp aan de zolder, en een bank waar ze op zitten kon en waar tevens alle mogelijke dingen in konden: kleren, ondergoed enz., over die bank heen had je de bedsdeurtjes, een groot bed voor twee personen, en een klein kooitje waar je een klein kind in kon leggen tot een jaar of zes toe wel. Dat kleine kooitje stond in verbinding met de grote kooi, dus als vader er ’s morgens vroeg af ging, dan mocht je nog even over de plank heen bij moeder liggen, ik noemde daar zoo pas kooi in plaats van bed omdat dit het gebruikelijke woord voor bed is bij schippers: kom maar op e kooi anders had ik het nooit gehoord. Als ’t schip leeg was, dan kon men binnendoor gaan, door het ruim naar voren, voorin noemden wij dat, daar waren ook twee kooien en ook een heel klein kooitje. Maar dat kleine kooitje werd gebruikt voor touwen, blokken, gereedschappen enz. de grote voor twee bedsteden. Ik sliep daar bij mijn broer en Klaske op het andere bed, als er geklopt werd dan moesten wij eraf, bij ’t varen waren wij ’s morgens altijd vroeg.

We begonnen dan meestal met de zon als die op kwam, dan was ’t de touwen los hadden we dan een gunstige wind, als we b.v.b. om lange turf moesten naar Emmercompas, dat ligt dwars door de provincie Groningen heen, bij de duitsche grens. Als we met een gunstige wind zoo als ik zoo pas noemde ’s morgens van Jorwerd gingen, dan waren om acht uur in Leeuwarden, dan moesten we vlug een paar boodschappen doen. Ik moest dan meestal even naar de broodfabriek. Ik kreeg dan een kussensloop mee en twee kwartjes. ’T Is voor een schipper zeiden ze dan en ik kreeg dan ’t sloop stijf vol bollen, kr. bol en kleingoed mee, wat er maar was. Het zal misschien wel van de vorige dag geweest zijn, maar ik kon ’t maar kwalijk sjouwen, zoveel kreeg ik mee voor 50 cent. Vader moest dan meestal even een kruikje jenever halen voor het veenvolk, want anders wilden ze de turf niet goed oplaaien in ’t schip. Als ze niet een keer of drie een slokje kregen op zo’n dag.

Die vervloekte drank was er toen ook en het werd ook nog veel meer gebruikt want het was goedkoop: 5 cent een flinke romer, ook moesten we dan nog even vlug even naar de slager om vijf pond vet koevleesch, dat koste dan een gulden vijftig, dus 30 cent ’t pond. Dan waren we dan ook klaar voor de start en als we dan om half tien weer uit Leeuwarden gingen, met een mooie wind, dan lagen we ’s avonds in Groningen. We gingen daar nog wel eens even de stad in, alhoewel we dan nog niet bij de turfhopen waren. Het ging dan over Hogezand, Sappemeer, Wildervank en dan Maartenshoek, dan was je haast bij Stadskanaal, dat liep dan door naar Ter Apel en dan waren we ook waar we wezen moesten. Vader moest dan eerst nog wel een hele dag lopen, turf bezien in de venen en met de turfbazen praten. We bleven dan een dag stilliggen met ’t schip van welke gelegenheid moeder dan goed gebruik maakte om te wassen, gauw een paar drooglijntjes gemaakt

En dan was dat ook weer klaar want een schippersvrouw kon maar niet zeggen, dan en dan was ik, nee zij moest de tijd afwachten dat zich een gunstig ogenblik voordeed. Was het dan klaar gekomen met de turf, dan was het de andere ’s morgens vroeg die veenvaarten langs, soms nog wel drie uren varen, als we dan om zeven uur moesten laden dan begrijpt men hoe vroeg we weer aan de slag moesten. Een man of zeven waren er dan wel: vier onder in ’t schip die de turven opstapelden en een man die ze met de kruiwagen zoo in ’t schip kruide en twee op de wal die de kruiwagens vol doen. Om tien uur moesten ze dan al koffie en koek hebben, moeder had dan een ketel vol koffie en van die grote spoelkoppen en dan was om twaalf uur eerst elk een romer jenever, ja ze dronken allemaal uit dezelfde romer, ze dronken hem zoo in een teug leeg.

En dan kreeg een ander weer in dezelfde romer, dan moesten ze eerst wat eten. Ieder had zelf een trommeltje met eten mee, als we dan ’s avonds om een uur of zes de vracht in hadden dan ging het best, maar dan was de schipper nog niet klaar. Dan moest zo’n bovenlast met turf, planken op de kant langs en dan de luiken die anders boven het laadruim van ’t schip liggen. Dan boven over die turflast, kettingen erom heen en dan boven met takels aan elkaar gesjord en dan was je weer klaar om weer te varen.

Maar zo’n schip met zo’n hoge bovenlast van turf is veel ranker, het wil zo over de kant vooral met zeilen, daar is wel wat vakkennis voor nodig om zo’n scheepje weer goed en wel thuis te brengen. Nu waren er op dat Stadskanaal genoeg jagers, jagers zijn mannen die houden er een paard op na en ze proberen de schippers te bewerken om ’t paard voor ’t schip te trekken

Het duurde in de regel niet lang, dan had je al zo’n jager bij je: schipper kan ik je ook een eindje douwen? Zulke jagers vroegen eerst veel, te veel, je moesten och zoo dingen kunnen en als het dan trof dat er nog een buurman achter je was, ook met een lading turf en dan twee scheepjes achter elkaar aan met een paard dan had je het veel voordeliger. Het kon treffen dat je tot Maartenshoek kon jagen, dus het gehele Stadskanaal zo’n 60 km ongeveer voor 15 gulden. Maar twee schepen achter elkaar vastgebonden dan deed hij het voor 20 gulden, dus elk 10 gulden en dan had je wel twee dagen lang een paard voor ’t schip te trekken maar vader zat er niet zo los aan en meestentijds begrote ’t hem weer, alhoewel je een heus voordeel ervan hadden want schippers die zelf trokken, die ging je allemaal voorbij en dan was je ook weer eerder bij de sluis en daar moest ieder zijn beurt afwachten, in volgorde bleven de schepen allemaal achter elkaar liggen.

Aan de rechterkant, twee tegelijk in de sluis, dus als er nu twintig voor je waren en het schutten duurt een kwartier dan had je dus twee uur werk om door zo’n sluis te komen en zulke sluizen wel een stuk of vier vijf op ’t Stadskanaal. En als je nu zo’n jager had, zoals ik zopas schreef die het gehele Stadskanaal aangenomen had, als men nu denkt dat zo’n man dat ook doet dan had je ’t mis.

Een paar sluislengten en dan kreeg je weer een andere jager. Zulke lui onderhandelden dan weer met elkaar, die we eerst hadden ging dan weer met een schip de andere kant op als hij die kon krijgen. Zo had je dan op zo’n traject 3 verschillende paarden voor ’t schip. IK zei dan wel eens tegen moeder: nu hebben we weer een zwart paard voor ’t schip, vanmorgen hadden we een bruine. Daar op ’t Stadskanaal ging geweldig wat om vroeger, omdat alles, alle vervoer vroeger over water ging.

Ook had je van die trekschuiten, die wachtdiensten onderhielden op de stad Groningen, daar was dan ook een paard voor te trekken, maar die jagers zaten er dan ook bij op het paard want dat ging op een sukkeldrafje. Ze hadden een hoorn op de rug hangen daar speelden ze dan een bekend melodietje op: Oh, van wil je niet opstaan dan blijf je maar liggen, dan moet je maar weten wat ervan komt enz. Wij waren wel blij als wij de stad Groningen weer achter de rug hadden, dan varen we weer in het hoendiep, daar is ook die grote suikerbietenfabriek Vierverlaten. Als we dan wat een mooie wind hadden, waren we ook gauw weer in Leeuwarden, maar met tegenwind dan duurde ’t soms nog lang, alhoewel er toen ook al stoomboten waren. Zoals Kootstertille, Drogeham, Rottevalle, Bergum de naam van de plaatsen, waar zulke boten thuishoorden stond er zoo voor met grote letters op, veerdiensten op Leeuwarden en Groningen.

Zo’n boot nam ons wel eens mee hoor als we tegenwind hadden, we waren dan in een oogwenk in Leeuwarden voor een paar gulden. Als we dan thuis waren met zo’n grote vracht en dan bedoel ik eigenlijk Jorwerd want daar hoorden we thuis, maar toch waren we ook even vaak in Mantgum want daar hadden we evenveel klanten. Ook hadden we klanten in Jellum, Weidum, Baard en ook een paar in Leeuwarden en in Sneek. In Leeuwarden hadden we ook een bakker, die een gehele vracht bakkersturf tegelijk kreeg. Dat was een mooie leverantie want in drie dagen waren we dan leeg en dan hadden we evenveel verdiend als we anders anderhalve week of twee weken lossen hadden. Dat lossen van die turf thuis dat was ook nogal zwaar werk. Ze moesten eerst weer op karren of kruiwagens gestapeld worden.

Daarna dan naar klanten rijden en dan allemaal bij de trap op sjouwen in korven want hokken hebben de mensen daar in de greidhoek eigenlijk niet, nu dan moest er een op de zolder wezen die ze aankreeg en aan een klamp oploeien (2). Als je nu bij boeren aan het turven was, dan ging het beter want dan haalde men paard en wagen van zo’n boer, dat was dan ook een veel grotere afnemer en men kon ze in de schuur leggen. Het was toen ook veel gemoedelijker als thans, want het gebeurde ook wel, als de boer juist het middagmaal moest gebruiken, dat ze ons vroegen of we ook met eten wilden. Dat was dan meestal bruine bonen met van dat vette spekvet en dan heb ik wel eens zo verschrikkelijk spoogen3, ik kon dat niet meer verteren. Pannenkoeken kregen we ook wel eens bij een boer, tegenwoordig nodigt een boer niet meer een brandstofhandelaar uit, om het middagmaal met hem te gebruiken. Was ’t schip dan weer leeg, dan moest vader in de regel eerst een dag om geld op te halen want de meesten betaalden anders niet dan dat je met een briefje kwam, en dan was ’t maar weer varen naar ’t veen.

2 aan een klamp oploeien - aan een haak optakelen.  3 spoogen - spugen.

We begonnen te varen meestal in ’t laatst van februari of 1 maart, en het eindigde met Sinterklaas, dus drie maanden lagen we stil, dan waren we in Jorwerd. We hadden dan een kajuitje op een gedeelte van het ruim, we hadden daardoor een veel groter woonvertrek en ook zoo hoog, dat je flink rechtop kon lopen, wat gewone stoelen konden erin staan, dat was zoo winterdag wel gezellig, en ik kon ook drie maanden achtereen naar school. Als het varen weer begon dan ging het maar zoo wat, dan ging ik wel weer even heen, als ze aan ’t lossen waren, maar dat was hoogstens een dag of tien. Ik kreeg dan wel wat werk mee van meester omdat onderweegs te maken, dan kon hij dat later weer nazien.

Doch van dat leren onderweegs daar kwam niet zoo veel van. Als ik later, toen ik ouder was, niet drie jaar aaneen de avondschool had gehad, dan had ik mij eigenlijk niet kunnen redden. In tegenstelling met mijn drie broers, die hebben alle drie, ieder drie jaar

in een kosthuis geweest om geregeld de school te kunnen bezoeken. Waarom ik niet, daar moet ik het antwoord op schuldig blijven want ik weet het niet en ik heb het ook nooit gevraagd. Zoo in ’t voorjaar haalden we drie vrachten turf. Twee uit Emmercompas en een vracht bakkersturf uit Appelscha. In Appelscha was vroeger ook veenderij, daar was je ook veel vlugger. Dan kon je best in een week weer thuis, dan nog een vracht takkenbossen, onderin takkenhoutjes en een bovenkast van takkenbossen, 2000 bos voor drie bakkers. Die takkenbossen kochten we voor twee cent ’t bos en we kregen er drie cent weer bij de bakker, dan moesten ze op de zolders en opsloegen voor 1 cent winst per bos. Maar we konden het vlug doen, want wij haalden ze uit Lippenhuizen even verder als Gorredijk. Dan was het misschien zoo wat mei en moesten we eerst naar de helling of ik geloof om de twee jaar dan moest het schip uit ’t water om geheel nagezien te worden van onderen. We gingen daar dan naar Nieuwebrug, dat is tussen Akkrum en Heerenveen in, een breed water, de spoorlijn ligt er ook bij langs die zoo van Leeuwarden naar Heerenveen en Zwolle loopt. En aan de andere kant van ’t water, is de straatweg die zoo van Akkrum naar Heerenveen loopt. Wij waren daar zoals ik al schreef op Nieuwebrug bij Langenberg, zo heette de scheepstimmerbaas. Zoo heeft Klaske, mijn jongste zuster, vroeger haar man ook gekregen. Jan Langenberg, dat was daar een zoon van. Zo’n schip op de helling dat betekent wat voor de schipper en zijn gezin.

Zo’n helling laten ze in ’t water glijden en zo komt hij onder ’t schip, daar zit een staaldraad aan vast en nu werd het met zo’n grote draaispil langzaamaan omhoog gedraaid, maar ’t schip die kuur ondergaat, krijgt zo’n vreemde stand, want van voren zit het dan wel een meter hoger op dan van achteren. Ook moest het over de zijden als ze het van onderen moesten nazien, er was dan ook niet in te wonen. Als het op de helling was, kon er ook niets in de kastjes blijven staan, zoals theegoed dat men niet behoefde te gebruiken, kon het beste in kranten verpakt worden. Nu had zo’n scheepstimmerbaas een houten keet op ’t erf staan, daar kon de schipper en zijn gezin dan zolang in wonen als zijn schip op de helling was, dat duurde denk ik zoo wat een week. Dan waren we nog niet klaar want het was dan ook meteen de schoonmaak, bedden eruit en alles werd dan schoon gemaakt. Verven en teren en dan zag alles er weer netjes uit.

Als we klaar waren, maar dan hadden we ook zo’n veertien dagen werk gehad, dan begon eigenlijk het zomerseizoen, harde turf varen, dat is baggelaar die vierkante turfjes. Die haalden we wel zo’n vijf vrachten achtereen, daar gingen we dan om naar Steenwijk of liever Steenwijkerdiep. Daar was ’t ook fijn om eens te vissen, wat wou het daar bijten, je kon soms zo een emmertje beers (4) hebben, vooral ook in die trekgaten. Trekgaten dat zijn van die poelen, waar het laagveen uitgehaald is en vrij diep hoor. Laagveen werd die baggelaar van gemaakt, in Groningerland is het hoogveen waar de lange turf van komt. In zulke poelen was het och zo vissen en ze vonden het thuis wel fijn, als ik met een aardig zootje thuiskwam en je behoefde toen geen akte, je mocht overal vissen en met zo veel angels5 als je zelf maar wou, ook snoekvissen deden we wel met zo’n blinker. 

4 Beers - baars

Dat was ook mooi werk, die harde turf ut Overijssel, konden we vlug doen, als het trof met de wind. We hebben het eens een keer gehad, ’s morgens uit Sneek, misschien om half vier en de ’s middags om 1 uur lagen we in ’t Steenwijkerdiep daar we turf moesten laden. De andere daags de vracht erin en de volgende dag weer in Sneek. Ze wilden het toen thuis niet geloven dat we in ’t veen geweest waren maar zulks gebeurde eigenlijk ook nooit want dan moest alles metwerken. Als we ’s morgens vroeg van Sneek gingen dan gingen we ’s avonds nog door de Woudvaartsbrug6, want ‘s morgens om half vier was de brugdraaier niet te spreken en dan konden we niet vroeg weg. We hadden dan verschillende meertjes: de Brekken, Aldhôf, Langweerder Wielen en dat had je al gauw het Tjeukemeer, het grootste meer in Friesland, dan Echtenerbrug en dan had je al gauw de Linde, dat is een riviertje, de scheidingslijn tussen Friesland en Overijssel.

Die linde behoefden we maar een klein eindje te varen, dan weer een zijvaart daarvan en dan kwamen we in Ossenzijl, daar was een sluis en dan was je in Overijssel. De wetering noemden ze dat kanaal, wat was het daar prachtig helder water er was menig schipper die daar zijn watervat vol deed, want het water was het grootste probleem voor een schipper. Voor op het dek hadden we een watervat, daar konden zeven emmers water in. Bij de buren in Jorwerd, waar we dan met ’t schip voorlagen, daar mochten we altijd het watervat wel vol doen want die hadden een grote regenwaterbak, maar zeven emmers waren gauw verbruikt. We moesten het daarom ook alleen voor drinkwaterhouden en anders eigenlijk alles in slootwater doen, want waar moest men onderweg weer om regenwater heen, er waren toen ook nog genoeg huizen, die niet eens een bak hadden. Regenwatertonnen die hadden wel sommigen, die hadden ze zoo onder de goot staan en dan pompen pompwater dat werd ook veel gebruikt.

5 angels - vishengels

6 Woudvaartsbrug 53°01’43.75’’N 05°39’44.34’’E

Gezien het leven op ’t schip en alle ongerief waar een schipper en zijn gezin te maken had, heb ik nu ook al het een en ander geschreven. Als dan de herfst kwam en wij waren met de laatste vracht turf thuis, ongeveer rond St Nicolaas, dan werd er zo’n drie maanden niets gedaan. Allen als er een was die nog wat brandstof nodig had, dan werd dat bezorgd, de centen in die tijd erg krap en daarom werd er ook door sommigen bij beetjes gekocht. Maar dan was er zo’n winter als je drie maanden stillag, nogal lang en daarom zei mijn vader op een herfst, wij waren toen ook weer thuis met de laatste vracht, nou jonge ik ha dei nou einliks7 lang genôch joen te iten,

Do mast dy nou einliks sels redden, ik zonk eigenlijk haast door de grond, want ik was 14 jaar, en niet sterk, had veel last van amandelklieren en ruis om ’t hoofd. Ze zeggen dan wel eens met pompen boven water blijven en zoo was het ook haast met mij, kreeg altijd eiwitstaal uit de apotheek en drooggekookte havermout met schapenmelk, ik dacht waar moet ik en waar moet ik werk zoeken. En moeder dan, dan moest ik daar ook bij weg en kleine pukkie, zo’n klein geelharig hondje met witte borst en witte pootjes, dan zag ik die ook nooit meer, dat was ook zo’n snugger hondje. Wij hadden hem zo’n vier jaar gehad, wij waren toen in Mantgum aan ’t turf bezorgen bij een boer en die had een nest vol jonge hondjes en ik mocht daar een uitzoeken. Ik weet dat nog allemaal of was ’t gisteren gebeurd.

Dat is nu 56 jaar geleden, zuster Griet kwam een dag bij ons, of als wij daar in Sneek kwamen dat weet ik niet goed meer en die hoort ook wat vader tegen mij gezegd had, nu zei ze Doodkorte, een zaak in luxeartikelen, dat is een zaak in dames en herenmode artikelen, die vraagt een loopjongen. Als dat nu lukt dan kan hij, en dat was ik vanzelf, wel bij ons in de kost. Ik had er niet veel zin in, maar wat moest ik, als ik gezegd had, dat wil ik niet dan was ik bang dat ik dat telkens moest horen dat ik ging er met de trein heen, kreeg 35 cent mee van moeder. Met de trein koste toen retour 35 cent en naar Leeuwarden 25 cent.

Ik kwam er en ’t waren aardige mensen R.K. Wij werden het eens en ik moest dan de volgende week maandag maar beginnen.

7 einlik = eigenlijk.

De werkzaamheden bestonden uit de volgende dingen: ’s morgens om de kachels denken, de magazijnen schoonhouden, pakjes hier en daar brengen want er zijn altijd mensen die wilden er zelf niet mee lopen, en dan ’s middags pakjes naar de karrijders brengen van klanten van buiten, want voor 5 cent hadden ze het thuis. Daarvoor wilden ze zelf niet sjouwen en dan zo nu en dan met rekens  ( 8 rekens betekent rekeningen) naar de mensen toe die in de winkel niet betaalden. Zulke rekeningen zat een zegel op, doch als ze niet betaalden dan niet overgeven vanzelf. Nu dit waren dan de werkzaamheden. ’s Morgens kregen we koffie, ’s middags thee en beginnen om half acht tot 12 uur en ’s middags van 1 ½ tot zes uur. Ik zei tegen mijnheer wat kan ik dan verdienen, hij zei 4 gulden in de week en zuster Griet moest ook 4 gulden kostgeld hebben, dus ik had zelf niets, maar het ging toch aan.

Ik bestelde mij voor 4 gulden per week op voorwaarde van opzeggingstermijn van een week. Toen kwam ik weer thuis en ik zei: ik heb besteld, en ik kan maandag beginnen en bij Griet in de kost. Zij vonden het goed, en ik kreeg een paar centen mee voor reisgeld, dan kon ik om de 14 dagen naar huis. Tenminste zolang ze in Jorwerd lagen met ’t schip en anders konden we wel even een briefje schrijven. De laatste nacht thuis, toen kwam er niet veel van ’t slapen en ik had ook weer wat last van de keel, de amandelklieren waren weer wat opgezwollen. Ik zei tegen mijn ouders: ben niet helemaal goed, maar zij lieten mij al gaan en ik zei nog: jullie blijven hier nu eerst in Jorwerd, maar als het voorjaar komt en jullie gaan weer met ’t schip weg dan is de eerste de beste reis pukkie ook weg. En dan had pukkie, als hij zijn naam hoorde noemen, het kopje zoo opzij om beter te kunnen horen wat wij bedoelden. Zo kwam ik dan bij Griet en haar man Johan van der Veer in de kost. Ik geloof dat ze toen twee kleine kinderen hadden, er was ook niet veel slaapgelegenheid, ik moest ook in de kamer in een bedstee slapen. In de andere bedstee sliepen zij zelf. Johan werkte daar bij Westerhof, een kruideniersbedrijf en grossierderij in thee, Johan was voor de theeafdeling. Op zolder lag een grote hoeveelheid thee, dat moest hij in zakjes van 1 ons doen, wegen en dan met een etiket dichtplakken. Verschrikkelijk eentonig werk, ik meende dat hij per dag dan zo’n 1.200 onzen kon doen. Zijn loon was toen 9 gulden per week, maar daar moest dan de huur nog af, dat ik nu zoo graag over mijn kostbaas mocht, nee dat kan ik niet zeggen want hij had wat over hem, daar ik niet graag over mocht, dat lag mij niet en daarom laten we dat maar buiten beschouwing.

Naast zijn werk bij Westerhof ging hij nog wel vaak te voordragen voornamelijk bij bruiloften. Toen ik de morgen naar mijn baas ging, ik had een nog een natte lap uit zout water om mijn keel en daar een droge doek om heen. De heer Doodkorte zei: kom ben je daar al, maar mijn stem was ook nog wat hees, hij zei wat scheelt eraan? Nu toen zei ik, dat ik nog wat in de keel had, maar ik had er geen koorts van en alleen wat dun eten kon ik erdoor krijgen. Toen we met de koffie in de keuken kwamen zei mevrouw: nu dat is ook wat, ik heb wel een ander ding voor je om je keel, dat was een geel ding en liet geen vocht door. Zodoende bleef de zoute lap die ik om de keel had, nat en hierdoor was ik veel gauwer klaar, met een paar dagen was ik een heel stuk beter. Zoo in de omgang waren dat heel aardige mensen, en wat de werkzaamheden betrof die had ik nogal vlug voor de geest. Dat kwam ook dat ik in Sneek nogal aardig bekend was, wij waren er zoo vaak met ’t schip geweest en dan waren we altijd de stad in, dat een hele hoop straten die wist ik wel. En mijn keel die was met een week ook weer aardig klaar, maar een week of drie later kreeg ik een blaar aan de onderkant van mijn tong en die had de vorm van een groene erwt alleen hij w as rood van kleur. Griet zei: ga ermee naar dokter Hertsberger dat is een beste dokter, ik in het spreekuur naar de dokter, hij zei: maak je maar niet ongerust hoor ’t is maar een klein gewasje, wij zullen hem zoo eerst eens met hem proberen. Toen kreeg hij een kluwen ijzergaren en daar knipte hij een eind af en een mastwerp daarvan en die mastwerp deed hij om de blaar en toen trok hij de einden zo stijf aan dat deed mij zo zeer.Ik wou het graag uitschreeuwen van pijn, maar ik kon niet want ik had de mond open en de tong uit de mond. Een dag of drie later, de blaar was toen al geheel blauw geworden, en viel er ook zo maar af. Toen dacht ik als hij nu maar niet weer komt, maar hij kwam alweer, ik weet niet meer precies hoelang tot duurde, maar hij kwam op dezelfde plaats weer. Ik ging toen direct weer naar dezelfde dokter, hij kon mij nog wel, ik zeg hij is weer begonnen. Hij zei: ja dan zitten daar wortelen in en die zijn weer begonnen, nu zullen we nog een keer hetzelfde bij hem doen en dan heb ik hoop dat jij niet weer komt. Maar mocht hij dan alweer terugkomen, dan moeten wij hem eruit halen met wortel en tak, maar ik heb wel de hoop dat hij niet voor de derde keer weer begint en zo is het ook gebeurd. Hij viel er na enkele dagen weer af en is nooit weer begonnen. Op zekere dag zei mijnheer tegen mij, ik had er toen al een tijdje geweest, zullen we jou maar Jan noemen in ’t vervolg. Ik zeg nou mijnheer waarom dat, ik sta toch als Sipke ingeschreven op ’t gemeentehuis, waar ik ben geboren. Ja zei hij, dat is ook zo maar Sipke dat is zo’n mondvol, nu zei ik vooruit dan maar. Maar ik dacht nu zal ik ook wat vragen, ik was daar met de werkzaamheden aardig bekend. Mijnheer zei ik: kom ik ook eens voor wat loonsverhoging in aanmerking? Och Jan zei hij, jij verdient hier nu 4 gulden in de week en die bediende die ik hier in de winkel staan heb, die verdient 6 gulden en die was denkelijk 20 jaar, toen wist ik genoeg. Het voorjaar kwam en vaderen en Geert die maakten het schip weer gereed want 1 maart dan gingen we meestal weer aan het varen en t’ kwam precies zo uit als ik voorspeld had, toen ze met de eerste vracht turf thuiskwamen was pukkie weg, hij miste zijn baas die altijd om hem dacht.Ook zeiden ze tegen mij dat Klaske denkelijk ook binnenkort zou trouwen met Jan Langenberg, zoo als ik al eerder heb genoemd, die kwam van Nieuwerbrug bij Heerenveen, zij konden een kruidenierswinkel kopen in Warga. Het voldeed mij daar niet zoo best, in Sneek bij Doodkorte, het was zo’n hele dag lopen van ‘s morgens tot ’s avonds. Je had ook zoo maar een paar schoenen teneind, toen Klaske zei, dat ik wel bij hun in Warga kon komen, nam ik dat met beide handen aan. Ik zei tegen mijn baas, op een zaterdag waar ik misschien zo’n 6 maanden was geweest, met een week dan hou ik op mijnheer, maar Jan zei hij wat wil jij dan. Ja mijnheer zeg ik, dat weet ik nog niet, maar dit is ook niets, ik word hier nooit een cent beter, nu wij namen met een week afscheid en ik vertrok naar Warga, naar Langenberg en mijn andere zuster zoo ik al schreef. Zij hadden een winkel gekregen in kruidenierswaren, en mijn zusters man deed er wat bij, ik denk dat hij wat vertegenwoordiger van het een of ’t ander was, en zowat bijverdiende. Ook hadden ze een kostganger, een onderwijzer in de kost, mijn werkzaamheden bestonden uit: wel eens even een klant helpen in de winkel, en ’s morgens wat in de huishouding doen, aardappelschillen en wat er maar meer te doen was. Maar toen wilden ze mij met sigaren langs de deur hebben, maar ja ik was 15 jaar en ik had geen fiets en ik kon ook niet fietsen. Nu mijn zwager had wel een oude fiets, dan moest ik het daar maar op proberen te leren. Nu ik daar mee de weg uit, maar ik had nog nooit eerder een fiets in handen gehad, ik op de fiets maar ik lag direct in de bermsloot, maar die was gelukkig niet diep en ik kwam er heelhuids weer uit, maar door en doornat, dat het zette niet best in. Maar er was nooit een die mij hielp, maar ik leerde het later toch alleen dat toen kon ik toch fietsen. Ze wilden er mij dan wel met rokerij bij langs hebben, ik had een koffertje met de fijnste sigaren erin 5 en 6 voor een dubbeltje en sigaretten 10 stuks voor 12 ½ cent. Ik zwalkte alles af met mijn koffertje met sigaren, ook in de nabijgelegen dorpen, maar er was bijna nooit een die van vreemde jongen wou kopen, dat dit liep weer op niets uit. De winkel dat wou ook niet recht, maar dat kwam dat er te veel winkels in Warga waren, er waren zo’n 50 die kruidenierswaren verkochten, niet allemaal winkels maar ook genoeg die het er als een bijverdienste bij hadden. Toen ik er een week of zes geweest was, zag ik wel dat het daar voor mij ook weer niets gedaan was. Zij hadden daar zelf niet eens brood, laat staan dat ze er dan nog een jongen van 15 jaar de kost konden geven. Maar ja, ik had het fietsen er toch geleerd en ik had in de sloot gezeten. Maar dat was mij op ’t schip ook twee keer overkomen, een keer bij ’t Weidumerhout, ik was met een vaarboom zoo aan het duwen boven op een hoge turflast, de boom die haakte een beetje en ik schoot voorover van die hoge turflast af in de Zwette. Het leek daaronder allemaal vuur en ik dacht, als ik nu maar niet onder ’t schip kom want dan zuig je daaraan vast door de waterdruk. Maar ik kwam precies boven bij het kleine bootje achter het schip aan en toen hadden ze mij er vlug weer uit, maar ik trilde als een waterrat. Ook ben ik eens, toen lagen we met het ’t schip in de Linde en toen woei ik van de loopplank af en viel tussen de wal en ‘t schip in. En daar stonden allemaal van die puntige palen van de walbeschoeiing boven het water uit, maar daar viel ik juist bij door en ik kon er mij aan vasthouden, zo lang als ze mij er weer uit hielpen. Toen mijn ouders dan ook met een vracht turf door Warga kwamen, kwam ik weer met op ’t schip, ik had toen zoo wat zo’n acht maanden weggeweest en moest weer terug op ’t schip, alleen met dit verschil dat mijn zuster Klaske was getrouwd, dat die was er ook niet meer bij, dus maar weer meehelpen in de turf toen we in Jorwerd kwamen. Ik trof daar mijn kameraad ook op een avond daar ik dan voorheen wel eens bij was, hij zei ik weet ook niet wat ik moet. Hij had dezelfde leeftijd als ik en kon op school och ook zo goed leren. Zijn vader was vrachtrijder op Leeuwarden met paard en wagen. Zo’n twee keer naar Leeuwarden in de week, maar hij zei als alles eraf is, is er nog geen 8 gulden voor de huishouding voor een gezin van 4 personen. Dat hij zei ik weet ook niet wat ik moet, hij wou graag wat doorleren maar dat kostte geld en waar moest dat wegkomen. En toch is het hem later best gegaan, hij had familie die wel geld had en die hebben zijn leergeld betaald.

Ik heb voor een jaar of tien terug hem nog eens gezien op de Amsterdamsche Bank in Leeuwarden waar hij in dienst was. Wij waren nog in Jorwerd met het lossen van turf, toen zei ik op een avond tegen moeder: wat moet ik nu weer? Zij wist het ook niet en ’t is net als komt er dan ook weer een uitkomst want dezelfde week nog, komt er een op een avond bij ons, die klopt op de plank en dat was Kaapstra, bakker in Jorwerd. Nu zeiden wij kom er maar in, hij wist wel dat ik al weggeweest was en nu weer thuis want in zo’n klein dorpje weet de een alles van de ander. Hij zei: ik zou eens even vragen want mijn knechtje, een bakkerszoon, uit Jelsum moet thuiskomen en nu zou ik eens horen of Sipke ook bij ’t bakken wil, dan kon hij ook direct wel komen. Hij zei het is nu september 1910 en ik dacht dan tot aan 12 mei volgend jaar voor de kost en inwoning en dan zien we wel weer.

Tegen moeder zei ik, als de nood op ’t hoogst is, dan is de redding nabij en werkelijk waar, het werd ook mijn redding. Ik heb bij Kaapstra een half jaar voor de kost gewerkt, daarna het volgende jaar van 12 mei 1911 tot mei 1912 voor 40 gulden per jaar, daarna het volgende jaar voor 60 gulden per jaar. In die ruim 2 ½ jaar, dat ik bij de familie Kaapstra was geweest, was ik een stuk beter geworden. Reusachtig best eten, altijd koevlees en niet een zwaar plak. Toen ik er 12 mei 1913 wegging, was ik 18 jaar. Ik woog toen 140 pond, was in die 2 ½ jaar 40 pond zwaarder geworden. Nu zal ik het een en ’t ander over mijn eerste bakkersplak en over de familie Kaapstra schrijven. Kaapstra was vrijgezel en leefde met zijn twee zusters, ook nooit getrouwd geweest en dan was hun oude moeder er nog bij. Douwe Kaapstra was wel een goede man, hij had altijd jongens als knecht, want als ze wat ouder werden dan was dat weer te duur. Het nachtbakken was er toen nog, zondagnacht begonnen wij om 1 uur tot de maandag om 1 uur, en dan ’s middags even op bed, zoo ging het zo’n vier keer in de week. Ook een paar dagen in de week dat we niet bakten, ja wel het een of ’t ander even doen, maar er was ook genoeg vrije tijd over om te vissen of eierzoeken, of eens op de fiets naar Leeuwarden. Of naar mijn ouders als ze in Mantgum met ’t schip lagen te lossen, dan kon omdat ik mijn baas zijn fiets dan even mocht gebruiken als hij hem zelf niet behoefde. Ik sliep in de bakkerij in een bedstee, daar was het nooit koud want zo’n oven geeft altijd warmte af. Later mocht dat niet meer want het was ook niet hygiënisch maar in 1910 mocht alles. Ik heb daar altijd goed  geslapen. Kaapstra zijn ene zuster heette Pierkje, zij was gods en ging zondags twee keer naar de kerk naar Hijlaard, dat was een half uur lopen. Maar dan maakte ze zaterdags alle eten klaar, als zij dan thuiskwam, dan kon ze de aardappelen zoo opzetten, maar dan moest ze kwart over een alweer weg als twee uur de kerk weer in ging. Aaltje de andere zuster was naaister ook voor anderen maakte die van alles. Zoo verdiende die met naaiwerk er wat bij. Het waren hele gezellige mensen, nooit hoorde je een verkeerd woord.

(9 bakkersplak - bakkersbaantje)

Pierkje was kerks, ze zeggen wel eens: die gaat al naar de kerk maar die doet er niet na, maar dat was niet van toepassing op Pierkje want die wou een ander alles toehebben. Het was altijd: heb jim genoeg gehad en als er toevallig een koopman kwam, krekt10 voor ’t eten en dan zei ze: wil je met eten en van zelf sloegen ze dat niet af. Maar dan ging ze zelf zowat voorbij, zij ging hiervan uit: als je gelooft, dan moet je daar ook naar handelen. Toen ik voor het eerst met Kaapstra aan deegmengen was, toen had ik zo’n verschrikkelijke last van die gistlucht, maar dat wende gauw, na een week werd het al beter, maar ik had de eerste nachten wel last van braken. En toen later de amandelklieren weer begonnen zei Pierkje: daar moesten we eens met naar een keelarts in Leeuwarden toe, misschien kan die er wat aan doen, ook omdat ik altijd al met die amandelklieren te doen had gehad. Pierkje was krekt een moeder voor mij, nu ik zei: dat wil ik wel. Toen mijn keel na een paar weken weer geheel goed was, ging Pierkje met mij naar de keelarts op de stille kant van de Nieuwstad. Ik moest met de dokter in een donker hokje en met zo’n klein lampje zag hij in mijn keel op, ja zei hij: die aan die ene kant die kan wel afgeknipt worden die andere kant hoeft niet want die is kleiner. Ja zeg ik maar ik heb toch wel last van beide kanten, ja zegt hij, maar dat komt: dan zet die dikke wanneer hij ontstoken is, ook de andere aan. Wij zullen eerst die ene kant maar afknippen. Hij had een grote witte jas aan en ik kreeg ook een grote witte doek voor, dat was voor ’t spatten van ’t bloed. Ik kreeg een ding in de mond dat ik hem niet weer dicht kon krijgen en met zo’n grote schaar ging hij in mijn keel op en toen had hij die klier in de schaar. Het knippen had hetzelfde geluid dan als je een wortel doorbijt en zeer vanzelf, maar hij was eruit. Hij had hem aan de schaar hangen en het was precies een ding als een grote noot. Het was eerst allemaal bloed, maar hij kon daar wat aan doen dat dat bloeden een beetje ophield. (10 krekt - precies). Ik moest de eerste twee dagen alleen wat lauwe melk hebben en dan wat licht eten. Och heden wat had ik toen een grote keel gekregen en toen heb ik er in jaren geen last meer van gehad. Maar later groeien ze weer aan, dat zei hij ook al, maar ik was er toen de eerste jaren vanaf en dat was al een reusachtig genot. Ook schreef ik mijn broer Libbe, die was in Amerika in Chicago op een drukkerij, na eerst nog een tijd in Den Haag op een drukkerij gewerkt te hebben is hij met zijn aanstaande naar Amerika vertrokken, hij was daar eerst op een handelsdrukkerij maar toen hij de Engelse taal kon, kon hij veel meer verdienen. Ik schreef hem toen ook eens dat ik nog nooit een fiets had, maar direct daarna kreeg ik een postwissel van 10 dollar, daar kon ik 25 gulden op krijgen. Daar kreeg ik een mooie halfsleten11 fiets voor, ik behoefde toen niet altijd meer mijn baas te vragen en wij konden ook tezamen eens even fietsen. (11 halfsleten - tweedehands). Het was in de zomer en mooi weer, was op zaterdag: zullen wij vanavond even tezamen naar de lange pijp, daar werd dan muziek geleverd door ’t stedelijk muziekkorps, dat was och zoo mooi en kostte niets. Wij hadden de fietsen in de Schrans laten staan want Kaapstra was niet zoo geweldig op de fiets. Toen we naar huis gingen, ging ik de carbidlamp opsteken. Wij op fiets, nu daar was niets, alleen er kwam een man op de fiets aan en fietste Kaapstra daar niet pardoes tegen aan, en die kerel aan ’t schelden: achtelijke boerenkinkel zei hij is deze Schrans nog niet breed genoeg, maar Kaapstra zijn stuur was ook geheel verbogen en ik had nogal wat werk om het weer voor elkaar te krijgen. Maar het slimste was, onze lampen branden door en toen we later op de Weidumerweg kwamen, ging mijn lamp uit. ’T is soms altijd raar treffen, daar kwam ons juist een politie tegen, afstappen zei hij maar wat denk je dat Kaapstra afstapte, zijn lamp brandde nog dat die reed door en liet mij er alleen voorzitten. Ik moest mijn naam en adres opgeven en dan hoorde ik er later wel meer van. Ik stapte ook direct weer op en ik was niet veel later thuis dan mijn baas. Later kreeg ik een ding van 2 gulden boete, maar twee gulden was vroeger een heleboel geld maar dat had je met die carbidlampen, ze gingen zomaar uit, vooral als er wat te veel water bij kwam. Ook had ik daar in Jorwerd gelegenheid om de avondschool te bezoeken, ben daar drie winters achtereen geweest, 2 avonden in de week van half zeven tot half negen en ’t koste niets, alleen als de winter om was, dan gaven we meester wat sigaren. Ik had daar in die twee en half jaar dat ik bij Kaapstra was geweest veel geleerd en ook lichamelijk veel sterker geworden, maar ja ik dacht ook altijd wel, op den duur moet ik hier ook weer weg want dan moet Kaapstra weer een leerling hebben. In ’t begin van ’t nieuwe jaar, dat was 1913 toen zeiden ze tegen mij: 12 mei dan moeten we eigenlijk weer een leerjongen hebben, dat als er nu eens een geschikt plaatsje in de courant staat, dan moest ik daar maar eens gaan zien. Ik zag daar wel weer tegen aan want ik had ’t daar ook och zoo best en mijn ouders waren er zo nu en dan met ’t schip dan was ik ook weer ’s avonds en zoo thuis.

Ik had daar in Jorwerd een geschikte wasvrouw, die deed mijn wassen om de 14 dagen en ook heel houden voor 12,50 gulden in ’t jaar. Toen er

dan op een avond een bakkersknecht in de courant werd gevraagd bij

Sonnema te Stiens, besloten wij om daar maar eens heen te gaan.

Kaapstra ging met mij, Sonnema een man van zo’n 60 jaar en een vrouw,

die haast altijd in de winkel was en 2 dochters en een zoon, aristocratische

mensen, met ons drieën in de bakkerij.

’S Morgens half drie beginnen de eerste vier dagen van de week en dan tot ’s

avonds 7 uur, dat waren dagen van 16 ½ uur. En dan donderdagsavonds

konden we wel even het dorp op want vrijdagmorgen konden wij ons

uitslapen, dan moesten we beginnen om half vijf maar dat moesten wij

raar bezuren want dan moesten wij van half vijf ’s morgens doorwerken tot

de zaterdagmorgen om half twee, dus op drie uur na een etmaal, dus 21

uur aan een stuk en dan konden wij ook niet eens bij weg om

51 te eten, wij kregen dan meestal pannenkoeken, die konden wij

dubbelvouwen, en zoo onder werk op eten, ’t meel was al in de trog en ’t

water was al warm want dat werd ’s avonds al op het vuur gezet dus dan

was het direct gist en zout afwegen en dan mengen die zoon en ik.

Maar ik was nogal wat langer als die zoon en daardoor moest ik nog verder

voorover. Dat deegmengen duurde wel een uur en dan liet de oude man ons

uit een broodje of een stukje bol bijten want wij zaten met de handen in ’t

deeg.

Maar je stikte er haast in want wie zal zoo als hij met hoofd in de trog zit

slokken, ’t wou niet eens naar onderen. Het broodeten kregen we niet eerder

dan zo’n half zeven, dan had je al drie uur in het nuchter gewerkt. Ik

verdiende daar 3 gulden in de week om de drie maanden kreeg ik het geld

39 gulden.

  1. Aan mijn schrijven hebt ge nu wel vernomen dat ik op 12 mei naar

Stiens was vertrokken, maar hoe slecht als toen het leven van een

bakkersknecht was, kunt u nu wel uit mijn schrijven opmaken.

Ik bleef er eigenlijk ook nooit een zondag, want wat moest je bij zulke

mensen, die met vernedering op een knecht neerzien. Als mijn ouders dan

niet thuis waren met ’t schip, ging ik wel gauw eens een zondag naar mijn

broer Jan, die woonde toen ook al in Leeuwarden.

Ook kwam ik wel eens op een zondagavond om zo’n zeven uur thuis. Ik was

nooit laat want je moest om half drie beginnen, maar ik ging dan eerst nog

wel even in huis, bij mijn baas voordat ik naar bed ging, dan kreeg je nog

een kopje thee, maar toen zei de vrouw: onze oudste dochter krijgt

vanavond een vrijer, als die straks komt wil jou er dan wel even uitgaan.

  1. Nu ik wachtte niet zoo lang, als die persoon kwam, ik dronk mijn thee

op en zei welterusten. Dat was een boerenzoon, dus dat was wat meer en

daar mocht niet een bakkersknecht bij zitten.

Ik ging dan later als ik weer thuiskwam op zondagavond wel direct op bed,

alhoewel dat ook wel nodig was als je half drie weer beginnen moest.

Als ik naar huis ging, nam ik meestal 10 gebakjes mee, die kostten toen 3

cent per stuk, ik kreeg ze voor 2 ½ cent per stuk, dus 10 voor een kwartje,

broodjes kostten 8 voor een dubbeltje.

Wittebrood groter dan een kleine bol en dan half melk half water gewicht

ongeveer een pond die kostte ook een dubbeltje. Keuringsdienst was er toen

ook niet, kwam er toen allemaal niets op aan als de bollen het gewicht wel

hadden en de boel wel schoon was.

Toen de herfst kwam zei de baas: ik kan je op 12 mei van ’t volgend jaar

niet houden, want dan komt mijn andere zoon weer thuis. Nou zei ik: baas

dat spijt me niet. Zoo nee zei hij: foldot ’t jo hjir dan net?

  1. Nou baas sei ik, ik bin leaver by us heit op ’t schip dan hjirre, want

dan binne we der moans te moans om seis oere der ôf, my tinkt ‘t is hjir un

hûnelibben. Ik wist toen nog niet, dat ik 12 mei 1914 ook werkelijk weer

schippersknecht zou moeten worden.

Die winter van 1913 op 1914 kwam ik vaak thuis want van Stiens naar

Jorwerd was niet zo’n groot eind, half uur naar de stad en van

Leeuwarden naar Jorwerd was drie kwartier fietsen. Maar ik hoorde in ’t

laatst van de winter raar op, toen moeder zei: Geert wil naar Amerika, hij

had altijd schippersknecht geweest en ook altijd thuis op 1 jaar na.

Hij had een jaar schippersknecht geweest bij Hielke Vlieger, turfschipper in

Welsrijp, dat jaar was onze Libbe thuis, die was in militaire dienst ziek

geworden en is daarom een jaar thuis geweest om beter te worden. Ik was

toen in 1914 19 jaar geworden en Geert was 15 jaar ouder dus die was

toen al 34.

  1. Hij had altijd op ’t schip en altijd thuis geweest en nu wou hij naar

Amerika, ja naar broer Libbe vanzelf en dan moest die om werk voor hem

zien.

Maar Geert kon geen woord Engels, Libbe kon alles, die kon Engels

schrijven en drukken, die was daar wel klaar. Geert wist misschien ook

niet meer wat hij moest, hij had namelijk 7 jaar verkering gehad met

IJbeltje Tempel, een dochter van een turfschipper uit Beers en die haar

moeder was een zuster van mijn vader, dus 7 jaar verkering met een volle

nicht van hem, maar zij maakte het uit omdat zij niet op ’t schip wou.

Dit had ze dan ook wel eerder kunnen zeggen, daar wacht je dan denk ik

geen 7 jaren mee, maar Geert dacht laat mij het eens in Amerika proberen,

maar dat is op een fiasco uitgelopen. En de oude mensen dan, hoe moest

dat, zou hij die dan in de steek laten, vader was toen al 68 en moeder dus

62, maar die had och zo’n

  1. reumatiek, maar hij ging al weg naar Amerika, ik denk dat dat in

maart was, de oude mensen hebben toen tezamen al een keer een vracht

turf gehaald, maar 12 mei toen ik bij Sonnema wegkwam, ben ik weer

thuisgekomen en weer schippersknecht geworden, ik moest die oude mensen

helpen.

Dat kon niet anders, want met turf naar de klanten brengen, dat was een

man ook niets, nu het ging best ik had van jongs af altijd op ’t schip

geweest. En ik was niet meer die magere jongen van voor vier jaar.

Ik was 19 jaar en 145 pond, we hebben toen met ons drieën een heel

gezellig jaar gehad want ik ben tot in de winter toe thuisgebleven.

Wij hadden een paar reizen gemaakt, het was denkelijk zoo wat in juni,

toen kregen we een brief uit Amerika. Ik zal eerst even schrijven hoe het

toen verder met Geert was gegaan. Hij kwam in Chicago bij ons broer Libbe,

en die had werk voor hem gezocht bij een boer buiten de stad.

  1. Maar Geert had nooit eerder bij een boer geweest, dus dat werk kon hij

niet en dan was die boer aan ’t spreken tegen hem in ’t Engels, maar daar

verstond Geert niets van en dan had hij de vuisten opgerold tegen Geert, dat

dat liep mis.

Het kon niets worden en zoo kregen we dan een brief, zoo als ik zoo schreef

dat Geert weer thuiskwam, ik weet niet precies, maar ik denk dat hij zo

wat 10 weken weg was geweest.

Het reisje naar Amerika, had hem aardig wat geld gekost, over zijn

avonturen die hij beleefd had zal ik niet verder op in gaan, maar ik dacht

moet ik nu weer weg als bakkersknecht en Geert weer thuis.

Maar gelukkig niet, hij kwam thuis en toen stond er een advertentie in de

courant van Koopmans Meelfabrieken: gevraagd een bekwame schipper op

een groot motorjacht en Geert daarheen en hij werd direct aangenomen.

  1. Het was een prachtig mooie boot, de zijden waren haast geheel van glas,

daar kon je doorheen kijken. Voorin de boot was de machinekamer, dat

was een apart vertrekje, daar was ook een stuurstoel.

Een dag of drie in de week varen en verder de boel onderhouden en schoon

maken. Hij verdiende een goed loon plus allemaal fooien. Hij moest eens

met oude mijnheer Koopmans, een oude dokter en advocaat varen, maar

dat hoefde niet lang, even naar Grouw en terug misschien 3 uren en toen

ze uitstapten kreeg hij van elk een rijksdaalder.

Ja dit vond hij fijn, hij was geheel zijn eigen baas en had nooit een betere

zomer gehad, het personeel moest hij ook mee varen en dan in gedeelten en

Hendrikje, die was dienstbode bij van der Mei, die was met een dochter van

Koopmans getrouwd. En daar moest hij ook mee varen en zoo heeft hij

  1. een rare kennismaking met Hendrikje gekregen en is toen een tijdje

later zijn vrouw geworden, maar toen het vaarseizoen in de nazomer over

was, kon Geert werk krijgen in de fabriek bij Koopmans, want zij wilden

hem zoo graag houden. Hij was een bekwame schipper, alle vaarwaters in

Friesland wist hij en dan winterdag wat in de fabriek en in de zomerdag

varen.

Hoelang hij in de fabriek gewerkt had weet ik niet, maar hij kwam weer

thuis, hij kon niet over het stof zei hij. Het was in de winter en het nieuwe

jaar 1915 begon haast weer en nu Geert verkering had, kon hij ook niet

meer met trouwen wachten, want met april van dat jaar werd hij ook al 35

jaar, ik geloof dat hij in mei van dat jaar getrouwd is, ons ouders hadden

in Jorwerd een huisje gekocht, dat die konden na een lang schippersleven

aan de wal wonen en Geert heeft toen het schip gekocht en werd

turfschipper.

  1. Vader was toen 69 dus het werd ook wel tijd, dat hij ermee op hield,

alhoewel hij later nog wel eens een reis mee deed om een vracht turf te

halen. Ook hielp hij Geert altijd nog met het turf bezorgen bij de klanten.

’t Is nog in de winter, maar nu Geert weer thuis was en zelf schipper zou

worden, kon ik weer weggaan. Ik zag in de courant en er werd een

bakkersknecht gevraagd bij Visser te Akmarijp, nu het was een heel eind

af, je moest over Terhorne naar Terkaple dan Akmarijp zo’n anderhalf uur

fietsen. Ik bestelde mij ook weer direct.

Visser was een boerenzoon en zijn vrouw een boerendochter, twee kleine

kinderen en zij hadden nog een onderwijzer van de Openbare School in de

kost. Het waren goede mensen, en ’t was ook niet zoo druk als bij Sonnema

in Stiens.

Wel moest ik alleen roggebrood bakken, een keer in de week dan was de

baas te venten. Ik kon dat werk dat ik daar moest doen best doen en als ik

’s zaterdags naar huis ging

  1. dan kon ik naar Jorwerd gaan want mijn ouders woonden nu in een

huisje in Jorwerd en ik behoefte ook zondagavond niet terug, omdat wij

maandagsmorgens niet vroeg hoefden te beginnen.

Om de 14 dagen ging ik naar huis en ik verdiende 4 gulden per week en

de kost, dus ik had een gulden meer dan bij Sonnema.

Bij mij zelf dacht ik, ik hoop dat ik hier nu wat kan blijven, want dan

weer naar een ander, dan moet je alles eerst weer leren want het is bij geen

een gelijk en je moest ook alles weer vragen: waar is dit, waar is dat en ook

was ik och zoo onwennig weer op een ander plak en ideaal was het daar

ook om te vissen vlakbij het Sneekermeer, ook was je ook maar een half uur

van Joure af, daar ging ik ook nog wel eens heen in mijn vrije tijd.

Alles liet de baas aan mij over: koekdeeg en koekjesdeeg klaarmaken, en

was ik dan om een uur of vier klaar voor de andere daags, en dan de boel

nog schoonmaken en dan mocht ik nog graag eens even vissen.

  1. En dan was de baas nog aan ’t venten, en als hij dan later thuiskwam,

en ik was verkleed en niet thuis, dat kon hij zeker niet best hebben, want

op een zaterdag zei hij tegen mij, ik wil het nu maar eens alleen proberen

en hij gaf mij met een week daan12. Nu had ik daar van december af tot

augustus geweest, en dan maar weer mijn geluk bij een ander zoeken, zou

het je niet de keel uithangen.

Nu kwam ik thuis en ik zag in de courant weer na en is al vreemd, maar

er werden eigenlijk altijd bakkersknechten gevraagd.

12 daan krijgen – ontslag krijgen

Er stond in de courant: flinke bakkersknecht bij J. Kooistra te Hallum

machinale deegbereiding. Ik ging er de maandag direct heen en ’t was ook

weer direct klaar. Ik ging er de maandag direct heen, en ’t was ook weer

direct klaar, met een week kon ik al beginnen, dan had ik een week

vakantie.

Op de donderdag voor dat ik bij Kooistra zou beginnen komt de post daar

niet bij ons met een brief, en in ’t stempel stond Akmarijp, een brief van

mijn baas, die mij daan had gegeven, ik zal de inhoud van de brief hier

laten volgen:

Beste vriend S.

Je zult wel vreemd opkijken, een brief van mij te

ontvangen, maar ik wou je hier mede vragen, heb je nog niet om een ander

bakkersplak gezien, zou je dan in dat geval hier ook weer willen komen,

want het valt mij zoo verschrikkelijk af om alleen, en ik beken dat ik mis

ben geweest, en ik hoop dan ook, dat ge nog vrij bent, en hier weer zult

willen komen.

Met vriendelijke groeten,

Visser en huisgenoten, Akmarijp

Na de brief gelezen te hebben, heb ik daar direct op terug geschreven, dat

ik mij alweer bij een andere bakker besteld had en maandag aanstaande

weer in dienst ging.

Ik kwam toen in Hallum, moest ik nu precies de andere kant uit, moest nu

het noorden in. Het was even ver fietsen als naar Akmarijp, ik kon van

Jorwerd naar Hallum ook zoo wat in anderhalf uur doen.

64.Kooistra had twee zoons en een dochter, IJsbrand was de oudste zoon,

die studeerde in Wageningen, de andere Simon 14 jaar, was met de

bakkerij, doch deed niet zoveel mee. Dan was er nog een dochter van zo’n

twaalf jaar.

Daar was gelukkig een mengmachine, dit was de eerste keer dat ik bij een

bakker kwam, waar het deeg met een machine bereid kon worden. Het

waren ook och zulke rijke mensen, maar dat zag je er niet aan, maar

hoeveel er niet kwamen in de herfst om te betalen, dat stak niet zoo nauw.

Zij hadden nogal wat land en huren. De kost was er ook prima, je kon er

zoveel eten als je wou. Verdiende weer 4 gulden in de week, ik geloof dat

dat het loon zoo wat was.

De baas vente 2 keer met de hondekar naar Hijum, en ik vente op de fiets

naar de Hallummerhoek en ’t Nooderleeg, kwam ook bij Sipke Roedes, boer

bij ‘t Noorderleeg maar wij begonnen ’s morgens niet voor zes uur, was daar

best te doen.

  1. We bakten ook twee keer beschuit in de week, was er in augustus 1915

gekomenen gebleven tot 12 mei 1917. Ik heb daar ook een cursus in ’t

boekhouden gevolgd.

En een nieuwe Batavusfiets had ik daar gekregen, het was mijn eerste

nieuwe fiets die ik kreeg, maar die halfsleten die ik van broer Libbe had,

die was ook wel aan ’t eind.

Om de 14 dagen ging ik toen weer naar huis en als het niet zulk mooi

weer was dan kon ik met de trein, het lokaaltje dat reed van Dokkum naar

Leeuwarden, dan was je zoo thuis, want in Leeuwarden overstappen en dat

was maar een kwartier naar Jorwerd.

Ik heb het ook een keer gehad, toen ging ik ook met de trein, ik kom in

Leeuwarden en dan reed er eerst een sneltrein en die stopte niet eerder dan

in Sneek en dan reed hij nog door naar Staveren, maar de boemeltrein die

ik moest hebben, die reed 10 minuten later weg en die stopte op alle

wachtposten.

  1. Ik wist dat ook wel, maar ging ik niet bij vergissing in de sneltrein en

toen we een eindje weg waren zei ik tegen een medereiziger, wat gaat deze

trein hard, ja zei hij maar dit is ook een sneltrein en die rijdt 60 km per

uur.

Ja zeg ik, maar ik moet er in Jorwerd uit, nu zei hij: hij gaat door tot

Sneek maar dan staat daar weer een boemeltrein klaar, die gaat weer naar

Leeuwarden, misschien kun je die nog net halen.

De trein stopte in Sneek, maar hij stond nog niet stil toen was ik al op ’t

perron. Je kon op ‘t perron ook aan een loket een kaartje krijgen. Ik zeg:

kan ik ook vlug even een enkele reis Jorwerd krijgen en gooide het geld

ervoor gauw op een bordje. Maar ik had het kaartje nog niet toen gaf de

conducteur het sein voor vertrek al en toen ik er vlug heen holde had de

trein al een behoorlijk gangetje.

Ik kon er niet meer inkomen en er stond voor mij maar een mogelijkheid

meer open, achter op de goederenwagen springen, en dat deed ik ook.

  1. Ik stond daar achterop het balkon van een goederenwagon en die

stangen die ik beet had, waren zoo vuil, dat ik kreeg poer13 zwarte handen.

Ik veegde mij ook met die handen om ’t hoofd want ik zweette ook een

beetje.

Toen we de eerste wachtpost bereikt hadden, dat was Scharnegoutum, daar

stopte de trein. Ik sprong eraf en liep naar voren, de conducteur die ook op

’t perron was, die zei: waar kom jij vandaan? Ik zei: achter van de

goederenwagon. Hij zei: waar moet je heen? Ik zei: naar Jorwerd, nu ga er

gauw in zei hij.

De andere passagiers zagen vreemd op bij mij met mijn zwarte handen en

zwart om ’t hoofd. Nu ik was haast niets later thuis als anders als ik met

de boemeltrein uit Leeuwarden ging en nu had ik ook nog in Sneek

geweest.

Nu ik had het wel gezellig in Hallum, maar de baas wou het nu eens met

zijn eigen jongens alleen proberen. Ik had mij toen ik dit wist, alweer

vroegtijdig besteld bij een andere bakker.

  1. Dit was Ulbe Postma te Holwerd, daar ging ik op 12 mei 1917 heen, ik

was toen 22 jaar. Het werd toen alweer een groter eind om naar Jorwerd te

fietsen, het kon zowat in 2 ½ uur doch ik ging evengoed om de twee weken

naar huis.

Ulbe Postma en zijn vrouw waren al oude mensen, ongeveer 65, de oude

man bakte ook niet meer mee, ik moest met zijn zoon Jan bakken, die was

misschien twee jaar ouder als ik maar geen mengmachine dus alles weer

met de hand bewerken.

Het was nog een aardig drukke bakkerij, nogal aardig winkelloop, dat deed

de oude vrouw allemaal nog en de oude man had een paar varkens en wat

kippen, daar had hij wel wat bezigheid mee. Dan was er nog een oudere

13 poer zwart - pikzwart

dochter in huis, maar die was niet recht14 goed, die deed ook geen werk

daar hadden ze een meisje voor die er de gehele week was.

  1. Hier verdiende ik 5 gulden per week, je had er zondags niet zoo veel

aan in Holwerd, dus ’s morgens ging ik wel naar de kerk, maar ’s middags

was er nooit een op ’t dorp dat was zoo in Holwerd.

Ze zaten allemaal in de herbergen, van jong tot oud. Het zat allemaal vol

om de tafeltjes, kaartspel, dammen en biljarten en dat ging tot bedtijd toe

met een hele boel, het was Monte Carlo in het klein.

Ik deed daar niet aan mee, ik wou die paar centen die ik verdiende daar

niet in die cafés uitgeven. Toen de winter van 1917 kwam, begon het in

februari nog och zoo te vriezen en wij hebben toen nog drie weken sterk ijs

gehad.

Het was toen juist de zondag dat ik weer naar huis moest, maar ik bleef er

want je kon daar zo mooi rijden, kwam de maandags ons Geert waar ik

gebleven was, dat deed moeder die was ongerust en toen heeft het later nog

twee weken sterk ijs geweest, dat ik ben toen

  1. twee weken achtereen op schaatsen in Jorwerd geweest. Ook had de

familie Postma, in een aparte kamer nog een heel oude vrouw bij hun in,

dat was de moeder van de vrouw. Ik had daar in ’t dorp wel eens horen

zeggen dat die oude vrouw een halve ton bezat.

Ook had Ulbe Postma, daar in Holwerd nog een mooi herenhuis met twee

voorkamers en achter een grote tuin met vruchtbomen. In die tuin ben ik

wel eens geweest met de oude man, dat huis daar gingen ze zelf in als Jan

trouwde en dat is later toen ook gebeurd. Doch Jan is niet lang zelfstandig

bakker geweest, hij is al heel jong naar Leeuwarden gegaan te rentenieren.

Het werd weer 12 mei 1918, ik ben toen weer uit Holwerd weggegaan en ik

ben weer in Jorwerd terecht gekomen. Hoe dat kon, hoe dat kon en welke

belevenissen ik daar toen weer ondervonden heb, zal ik op de volgende

bladzijden schrijven.

  1. In Jorwerd waren twee bakkerijen, in die andere bakkerij woonde

Siebe Valk, die was getrouwd met een nicht van Jans Anna, van mijn broer

14 niet recht goed – niet helemaal 100%

zijn vrouw dus, maar Sietse Valke had TBC en is in Joure in ’t sanatorium

overleden.

Zij heeft toen eerst altijd een meesterknecht gehad, Harm Boelens van

Morra, die heeft er nogal lang gewoond. Maar er was In Jorwerd een oude

vrouw, die had een winkeltje en die had een zoon bij haar in, die heette

Wijtze Boonstra en die erfde op een keer een vermogen, er werd toen vaak

50 duizend genoemd en die kreeg weer verkering met de weduwe Valk.

En hij werd later haar man, en dus ook bakker, maar hij hing altijd van

een grote knecht af want hij kon wel wat handlangen maar niet bakken,

en toen vroeg hij mij als ik ook bij hem wou en dat heb ik toen maar

aangenomen want mijn ouders woonden er vlakbij en dan kon ik ’s nachts

thuis en ik kon 7,50 gulden verdienen, dus ook een rijksdaalder meer dan

in Holwerd.

  1. Toen ik daar kwam, had hij ook al wat knechten gehad want hij had

gauw eens een ander. Geld brengt altijd geen geluk, en zoo was het ook met

Boonstra want hij was aan de drank verslaafd geraakt.

In de kelder had hij een grote voorraad gedestilleerd, ook had hij een wat

kwade dronk over hem, ’s morgens hielp hij mij dan een beetje, maar ’s

middags ging hij de boer op met roggebrood bezorgen en dan zag je hem de

gehele middag niet meer.

Hij vond er dan altijd wel een boer bij, die wel van kaartspel hield en dan

de nodige drank daarbij en als hij dan op ’t laatst naar huis ging, moest

hij altijd eerst een herberg voorbij, en dan kon hij het niet opbrengen om

dan door te lopen, dan ging hij daar eerst weer binnen. En als hij daar

dan weer uitkwam, Dan kon hij geen pad meer recht houden, en dit

gebeurde soms twee, soms drie keer in de week.

  1. En ’t is eens een keer gebeurd toen kwam hij ook de herberg uit, en

stroffelde15 over een zinkbak en viel zoo raar neer, en kon niet meer

overeind komen. En toen heb ik en nog een man, hem zoo naar huis sleept

en voor de bedstee in de kamer lieten wij hem liggen.

15 stroffelde - struikelde

Maar toen wees hij omhoog met de hand, zoo veel te zeggen: daar moet ik

heen, en hij schopte ook nog naar mij met een been toen we hem zoo lieten

liggen.

Ook eens een keer kwam hij met een fles en een romer in de hand in de

bakkerij en toen wou hij mij drank geven. Ik zeg, nee dank je, ik wil geen

drank hebben, nu hij ging weer en hij zei: do bist gjin kerel, en ik sei as

sto dan mar ien bist.

Wij pasten elkaar niet, en die knecht die hij na mij heeft gehad was beter,

want die ging ook met hem naar de stad, en als ze dan thuiskwamen met

de trein dan hadden ze elkaar in de arm, om ’t pad recht te houden.

Ik ben er ook niet lang geweest, maar ik ben nog wel een tijdje in Jorwerd

gebleven, want ons mem is toen in 1919 overleden.

  1. Toen bleef de oude man zoo alleen over, en met een slecht gezicht, toen

dacht ik, dan moet ik eigenlijk maar wat bij hem in kunnen blijven en

het huiswerk er wat bij doen en dat is toen een tijdje gebeurd.

Kaapstra, waar ik eerst 2 ½ jaar gewoond had, vroeg mij: ik heb geen

knecht meer en als ik dan drie drukke dagen bij hem wou bakken en dan

kwam mijn broer Geert weer thuis met ’t schip en dan kon ik die de andere

dagen wel helpen bij het lossen van de turf.

Bij Kaapstra had ik dan de kost ook, die dagen dat ik bakte en ik

verdiende 1 gulden per dag, dat was 3 gulden in de week. En bij Geert als

ik die hielp in de turf dan kreeg ik 50 cent per uur en reken nu maar 8

uren, dan had ik 4 gulden per dag, kwam dan wel op zo’n 10 gulden per

week, maar als Geert dan weer met ’t schip weg was, dan was ik die andere

dagen wat thuis maar de oude man kon mij die dagen

  1. dat ik niet bij Kaapstra was zoo maar niet de kost geven en daarom

besloot ik maar weer, om maar weer de wereld in te gaan, om maar weer

een bakkersplak te vinden.

Ben toen in Grouw geweest bij bakker Bouma 17 zak meel in de week voor

bol en kleingoed en dan nog banket, alhoewel taartjes bestelde hij altijd bij

een andere bakker want dan konden wij er onmogelijk bij doen.

Ik verdiende daar 10 gulden in de week, de vrouw had daar ook niets aan

tijd, want die moest haast altijd in de winkel wezen. De baas had ook een

mooie roeiboot, daar mocht ik als we eens even vrij was altijd wel mee

varen.

Het was daar eigenlijk niet zo best te doen, er moest eigenlijk nog een

knechtje bij maar ik ben er nogal een tijdje geweest, in 1920 ben ik daar

weer weggegaan. Ik ben toen weer in Hallum gekomen, nu niet bij een

bakker, maar in ’t beschuitfabriek van Koopmans en van der Meulen. Daar

heb ik ongeveer 2 jaar gewerkt.

  1. Het was daar bij Koopmans en van der Meulen een 8urige werkdag en

twee ploegenstelsel. Wij moesten ’s morgens om zes uur beginnen tot 12 uur

en dan ’s middags van 1 tot 3 uur en dan de andere week ’s morgens

beginnen om 9 uur tot 12 uur en dan ’s middags van 1 tot 6 uur.

Zo wisselde dat telkens iedere week om, maar als het wat extra druk was,

dan hadden we ook wel wat overuren. Het loon was 25 gulden in de week

maar hadden we wat overuren dan had ik wel eens 28 gulden in de week.

Je moest vanzelf wel een kosthuis hebben, het kostgeld was 10 gulden week

en 1 gulden voor het wassen en als je er zondags bleven, dan was dat ook 1

gulden. Ik heb trouwens altijd 12 gulden gegeven, ook als ik zondags weg

was en daar had je evengoed nog voordeel van, want dan maakte ze de

kleren goed en het goed dat ze daarbij nodig hadden, behoefde je niet te

betalen.

  1. Wij maakten daar 30.000 beschuiten per dag, dus 3.000 pakjes, ze

gingen zoo met de lift naar boven en daar waren ene stuk of drie meiden

die ze inpakten en dan direct in beschuitkisten en dan gingen ze overal

heen.

Dat beschuitbakken voor zo’n heteluchtoven was nogal warm werk en druk

werk, in de zomer was je dan ook door en door nat van zweet. Twee man

tegelijk voor zo’n oven maar je hoefde maar een uur tegelijk, dan weer twee

andere.

Het personeel was er och zoo met elkaar, zo’n 8 knechten, 2 bazen en een

paar jongens, en zondags als ik niet naar Jorwerd was, dan hier of daar

eens even op de fiets heen, ik was toen met een kameraad die ook in ’t

beschuitfabriek werkte.

Het was in de zomer van 1921, hij zei zullen we eens in St. Anna zien,

het is daar ook kermis, ja zeg ik daar kunnen wel eens even zien, maar ja

we kwamen daar nooit weer weg.

  1. Tenminste ik niet want ik trof daar Ymkje van Dijk en ja ik geloof dat

ik de ’s morgens om twee uur nog in St Anna was, het werd toen niet een

lange nacht, want ik geloof dat ik de eerste ploeg was en dan moest ik om 6

uur beginnen.

Wat werd er toen voor mij niet minder op zo nu en dan nog eens naar

Jorwerd en anders ging ik naar St Anna en of het nu nog in 1921 was of

in ’t begin van 1922 weet ik niet goed meer.

Ymkje zei tegen mij, Foeke Brouwer bakker hier in St Anna, moet ook een

bakkersknecht hebben, zou dat ook wat wezen. Ik ging daar heen en dat

kwam ook weer klaar en Ymkje kon mijn wassen wel doen en ik kon ook

weer 10 gulden verdienen.

Het speet mijn bazen, daar in Hallum wel, dat ik weer wegging, maar om

op een duur in zo’n fabriek te blijven was ook niets want dan was je voor

die tijd oud, dat ik ging weer terug naar een gewone bakkerij en dit zou

ook de laatste bakker zijn waar ik als knecht woonde.

  1. Bij Brouwer moesten we ook alle dagen bakken, hij had ook een

mengmachine met een motor die ging met olie, er was nog geen elektrisch

licht, gaslampen en een gasfabriek was er in St Anna.

Alle dagen vers brood, en ook nogal aardig wat banket, hij had ook een

venter, die woonde in Beetgumermolen, die verkocht in de week voor 200

gulden en dan verder winkelloop, ook bakten we twee keer in de week

beschuit. Brouwer grossierde daar wat in, hij had een paar bakkers die

beschuit van hem kregen.

Zoo werd er toen ook eens een tentoonstelling gehouden van beschuit en

Brouwer en Postuma van Zuideind wou ook graag meedoen., wij ons

uiterste best doen en de mooiste uitzoeken en die inzenden. En ze kregen

ook nog een tweede prijs.

’T Was daar wel gezellig in St Anna, ik mocht daar graag wezen en de

winter van 22 was er ook nog sterk ijs, dat Ymkje en ik konden ook nog

eens rijden naar de blikvaart, want dat schaatsenrijden is mooi

  1. werk als je jong bent. Ook kwam er eens een man in de winkel en die

vroeg naar mij en of hij wel eens in de bakkerij mocht zien. En wie dacht

je dat het was? Het was Boonstra, daar ik in Jorwerd bij gewoond had als

bakkersknecht, hij zei: ik woon zoo dichtbij dat ik nou nog eens even bij je

zien.

Hij woonde nu in Vrouwbuurt zei hij, hij had eerst nadat hij de bakkerij

in Jorwerd verkocht had een herberg gehad in de wouden, maar dat was

maar van korte duur en in Vrouwbuurt heeft hij ook maar even gewoond,

hij is toen naar Leeuwarden gegaan.

Maar toen hij zijn geld daar wat zoo wat op had, is hij nog een tijdje

reiziger geweest bij een firma in bakkerijgereedschappen. Hij heeft toen ook

nog eens bij ons aan de Oude Bildtdijk geweest, heb toen ook wel eens

gehoord dat hij toen geheelonthouder was geworden. Maar hoe dat precies is

weet ik niet.

  1. Maar op een avond liep hij de Schrans uit, de Snekerstraatweg en dan

een eindje buiten Leeuwarden heb je Barrehuis, daar kruist de spoorweg

van Leeuwarden naar Heerenveen de straatweg, en daar heeft hij hem voor

de sneltrein geworpen.

Dat was het einde van Boonstra zijn leven, geld had geen geluk gebracht

voor Boonstra, zijn vrouw heeft later een klein sigarenwinkeltje in

Leeuwarden gehad, daar heb ik nog wel eens een paar sigaren gekocht.

Het was in de zomer van 1923 en het was zover, dat ik nu zelf om een

bakkerij moest zien want ik was toen ook al 28 jaar en dan moet je

eigenlijk ook eens voor jezelf beginnen.

Maar er was niet een die mij hielp of die mij met raad en daad bij stond,

maar ik was het van jongsaf gewend om mijzelf te redden, dat toen stond er

in de courant een huis te koop, voorheen bakkerij, geheel compleet met

oven en nog gereedschappen te Tzummarum, doch het was een stilstaande

bakkerij, we waren geen klanten bij.

  1. Wij konden daar met een briefje op schrijven bij de notaris en dat

deden wij ook, en waren we ook niet de hoogste inschrijver, maar

godzijdank het werd weer verhoogd en waren wij er weer vanaf en we

kregen ook nog strijkgeld.

Wat later stond er weer een bakkerij te koop in Makkum, Foeke Brouwer

en ik daar tezamen heen op de fiets. Het was een heel oude bakkerij en och

zo smerige bollen dat zagen we wel. De man die daar inwoonde zei: ik

huurde de bakkerij en ik ben Rooms en ik heb ook haast allemaal R.K.-

klanten, en als er nu een andere bakker deze bakkerij koopt, dan moet ik

eruit vanzelf, maar dan houd ik evengoed deze klanten want dan betrek ik

het goed van een andere bakker.

Dat wij hoefden niet naar de notaris toe, om over de koopakte te spreken.

Brouwer wou eerst al naar de notaris, nu ik zeg dat doen ik niet, ik wil

geen bakkerij zonder klanten hebben.

  1. Maar dat kwam omdat Brouwer mij kwijt wilde want hij wou weer een

goedkopere knecht hebben. Toen heb ik nog in Oude Bildtzijl geweest, daar

was ook een bakkerij te koop, op ’t Oosteind van oude Bildtzijl, de man ik

weet niet meer hoe hij heette was alleen aan het werk in de bakkerij

Ja zei hij, ik doe alles alleen, bakken en venten en hij vroeg 8 duizend

ervoor, dat was mij te veel voor een bakkerij dat je alleen kon doen.

En tijdje later kwam oude Beetstra bij ons in de bakkerij, die woonde in

Berlikum en was wisselloper en kwam zoo bij de bakkers langs met

kwitanties. Hij zei tegen mij: ik heb gehoord dat je ook om een bakkerij

ziet, ja zeg ik dat is ook zoo maar je moet eerst wat geschikts kunnen

vinden.

Ja zei hij, dan is mijn zoon beter uit, daar heb ik een bakkerij voor

gekocht en ik betaal hem ook voor hem. Nu zeg ik dan is hij gelukkig,

maar dat kunnen niet alle vaders doen vanzelf. Later kom ik nog eens

even terug op Beetstra.

  1. Ik dacht toen weer zoo in mij zelf, zou het wel wat met mij worden en

als je daar zoo over zit te piekeren, dan is ’t net als komt er dan weer een

uitkomst, want een klein tijdje later komt Hoogland bij ons in de bakkerij,

een reiziger van Simonides, die een zaak had in bakkerij grondstoffen.

Hoogland wist ook wel dat ik om een bakkerij zocht, want ik had het hem

al eens aan de hand gegeven als hij eens een bakkerij wist, als hij er dan

eens even om denken wou, want zulke mensen komen overal.

Hij zei tegen mij: ik weet ook een bakkerij te koop aan de Oude Bildtdijk

onder St. Jacobi Parochie van Tj. Posthuma. Ik geloof zei hij dat Posthuma

naar Berlikum gaat, als hij daar de bakkerij krijgt of tenminste aan ’t

onderhandelen is om een bakkerij daar. Nu zei ik tegen mijn baas Foeke

Brouwer dan moest ik daar maar eens zien.

  1. Ik naar de Oude Bildtdijk en ik vroeg bij de Kadal, als ze misschien

ook wisten waar Posthuma woonde de bakker zei ik. Ja dan kan je nog wel

een eind doorfietsen zeiden ze en toen kwam ik bij de bokkinghal van de

oude slager in de Westhoek, daar vroeg ik weer naar bakker Posthuma.

Ze zeiden: nu ben je te ver, het is daar waar aan beide kanten van de weg

twee boerenplaatsen staan. Nu vond ik het wel.

Zij hadden nogal wat kinderen en de vrouw hielp ook mee in de bakkerij,

die was aan ’t afwegen. Hij zei; ja ik ga naar Berlikum, als ik deze

tenminste verkopen kan.

Na het huis te hebben bezien vond ik wel dat het nodig aan ’t opknappen

toe was want ik kon wel zien dat er eigenlijk nooit wat aangedaan was.

Toen over de omzet spreken en zoo, en over de werkwijze en over het venten

met hedde16 en wagen. Wij werden het voor zoo ver eens, dat Ymkje het eerst

ook even moest zien.

  1. Hij had de prijs ook al genoemd, ik zeg dan komen we morgen weer en

spreken we wel verder af. De volgende dag Ymkje en ik er tezamen heen, nu

’t leek Ymkje ook niet zoo gek toe, dan moeten we het nog over de prijs

hebben.

Alles was daarbij inbegrepen: de hedde en wagen, bakkerijgereedschap en

een omzet had hij van 170 gulden per week. Nu hij vroeg zeven en ik bood

zes. Op ’t laatst zei hij: als wij nu het verschil deelden zes duizend vijf

honderd en daar is het toen ook op ingegaan.

Wij vroegen wanneer hij hier dan weg wou, hij zei met een week of drie.

We moeten maar eens zien zeg ik, maar het heeft langer geduurd. Ik zei het

’s avonds tegen mijn baas: wij hebben een bakkerij gekocht aan de Oude

Bildtdijk en nu wil ik nu zaterdag over een week wel ophouden. Mijn baas

16 hedde en wagen - hondekar

vond het goed en die zag gauw weer om een andere knecht. Hij kreeg nu

een veel jongere voor 5 gulden per week.

  1. De laatste week dat ik bij Brouwer was, kwam er ook al een

bakkersknechtje bij mij bij Brouwer in de bakkerij. Dat was er een uit

Jorwerd, die had daar al gehoord dat wij een bakkerij kregen en vroeg als

hij ook bij ons als bakkersknecht kon komen. Nu dat wou ik wel, want ik

kon hem ook en hij was 16 jaar en hij is bij ons gebleven aan diensttijd

toe, toen was hij 19 en een half jaar.

De laatste week dat ik bij Brouwer was, ging ik ook naar Lammeree, notaris

in St Jacobi Parochie. Ik zeg; wij hebben een bakkerij gekocht van

Posthuma van de O.B. Dijk, ja zegt hij, die is hier ook al geweest want die

heeft een bakkerij in Berlikum gekocht en die koop moet ik ook doen.

Ik zeg tegen de notaris: wij hebben een bakkerij gekocht voor 6.500 en wij

hebben beide wel wat geld maar niet genoeg. Kan ik bij U ook wat

hypotheek onder de bakkerij krijgen. Ja, dat kan wel zei hij want ik ben

agent van de Arnhemsche Hypotheekbank. Hoeveel moet je hebben?

  1. Nu ik zeg 3.000 dan zal het wel gaan, ik behoefde daar geen borg voor,

daar was de bakkerij dan voor. En over drie weken konden we dan wel

komen, dan werd de koop gesloten.

Het was ongeveer half oktober 1923 toen ik de zaterdag bij Brouwer

ophield, wij namen afscheid en hij vroeg mij of hij later ook beschuit kon

leveren.

Nu ik zeg we moeten dat later maar eens zien. De maandagmorgen ging ik

hier naar Posthuma met bakken en met venten. Ik moest mij zoo goed

mogelijk inwerken, dat is zoo 2 en halve week gegaan en ik geloof dat wij

toen woensdagavond naar de notaris zijn geweest.

Ik betaalde de notaris 3.500 gulden en hij deed er 3.000 gulden bij, dat

was samen 6.500 gulden en dat gaf hij aan Postuma, maar Posthuma had

een bakkerij in Berlikum gekocht voor 12.000 gulden dat hij moest zelf

nog aardig bijpassen.

Maar toen moest ik de kosten van het overschrijven nog betalen en dat was

300 gulden, maar ik zeg dat eigenlijk niet betalen kon, want ik moest ook

  1. ‘t een en ander van Posthuma overnemen en toen zei Bokma, die was

toen klerk bij de notaris, dan moet hij eerst maar een goede St. Nicolaas en

dan betaalt hij de overschrijvingskosten zei hij met zo’n grijnslachje.

Posthuma en ik gingen weer naar huis en ik zei tegen hem: morgen kom ik

niet, morgen is ‘t donderdag 8 november en dan trouwen we. Ja zei hij, ik

moet donderdagnacht weer bakken en dan vrijdag weer venten dat is in

plaats van zaterdag en dan kunnen jullie hier met het huisraad komen.

En zoo is het ook gegaan, zaterdagmorgen kwamen wij hieraan met een

groet wagen van J. Lont die had ons huisraad daarin.

Ymkje, haar moeder en Trijntje, Mientje zijn vrouw die waren ook mee,

toen hebben ze zaterdag nog het een en ’t ander schoongemaakt en de boel

nog wat te plak zetten en toen waren we dan des ’s avonds tezamen in ons

eigen huis.

  1. Tenminste als alles goed verlopen zou, we hadden toen eigenlijk geen

cent meer en drieduizend onder de bakkerij van de notaris en de kosten

van de koopakte moest hij nog hebben, want wij hadden van Posthuma wat

bakkersturf overgenomen en takkenbossen, wat meel en rogge om de

maandag te bakken.

Maandagavond kregen we van alles thuis van Simonides, dan kregen we

alle bakkerij benodigdheden, behalve rogge en meel. Dat kregen wij van ’t

Graanbedrijf. Alles kregen we maandagavond thuis: van Simonides voor

500 gulden en van ’t Graanbedrijf voor zo’n 150 gulden.

Maar Simonides zei: ik behoef direct geen geld, ik kom met zes weken wel

eens weer en toen hij toen weer kwam, gaven we hem de eerste 300 gulden

en weer enkele dingen aanvullen en weer zoo veel tijd later, kreeg hij alles

wat er nog stond.

Ik dacht toen eerst al, toen we hier moesten beginnen als het nu maar goed

gaat, want het is altijd een hele onderneming.

  1. Je moet het afwachten, niet wat het bakken betrof, daar zag ik niet

tegenaan, want ik had het vak goed geleerd, maar hier waren ook zo’n

hoop bakkers, 4 aan de Oude Bildtdijk en 5 in St Jacobi Parochie en dan

kwamen er ook nog twee uit St Anna te venten, dat de concurrentie was wel

bijzonder hoog, maar toch is alles best gegaan.

De eerste winter dat wij hier waren, vroor het ook nog aardig, Ymkje is toen

met onze buurvrouw Griet en dan was er nog een nicht van Griet bij, en

met haar drieën zijn ze toen op schaatsen naar Berlikum geweest, ja toen

presteerden ze nogal wat.

Toen St Nicolaas achter de rug was, ben ik weer naar de notaris gegaan en

ik heb hem de overschrijvingskosten betaald, maar ik moest er nogal aardig

wat rente van geven, dat ik het toen direct niet kon betalen.

Verder moest ik elk half jaar 100 gulden afbetalen plus 5 ¾ % rente, en als

er dan vijf jaar om was, dan had ik 1.000 gulden betaald, ik mocht het

restant dan ook in een keer geven, of zoo weer vijf jaar voor gaan.

  1. Foeke Brouwer uit St Anna kwam hier wel bij ons, hoe het ging en of

we ook beschuit moesten hebben. Ook Jitse Kooistra uit Hallum kwam hier

bij ons met zijn dochter, die wou ook eens even zien hoe of het met ons ging

en ook moesten de kooplui wel de groeten doen van bakkers waar ik

gewoond had.

Zo ook van Visser waar ik in Akmarijp bij de Jouwer bij gewoond had,

Visser was toen niet meer in Akmarijp, hij had later een bakkerij gekregen

in Witmarsum.

Toen het voorjaar en de werkzaamheden op ’t land weer begonnen, werd

het ook weer wat drukker in de bakkerij, de omzet was toen 200 gulden

per week.

Het is nu vijf jaar later en ik ging voor de tiende keer naar de notaris.

Mijnheer zeg ik: hier is weer 100 guldenaflossing plus de rente. Nu zei hij:

we gaan zoo maar door niet? Nu mijnheer zeg ik, ik heb ook nog twee

briefjes van 1.000 gulden bij me, die betaal ik ook maar, dan is ’t ons

eigen maar. Nou zei hij dat is nog eens best gedaan.

  1. Ook hebben wij in het voorjaar van 29 een auto gekregen, een nieuw

Ford onderstel en daar had van der Wal bij de Kadal een bak opgemaakt

en een cabine, waar we in konden zitten.

Het was veel beter en gemakkelijker om er mee te venten, want het was soms

och zo’n koude lijden met hedde en wagen, want onze verste klant was

geheel bij de keldershuizen bij ’t hoekje en dan was het een heel eind om

daar weg weer thuis te komen.

De auto, alles nieuw kwam mij op 1.260 en de autokosten kwamen op 10

gulden per week, de hedde en wagen kwam op 6 gulden per week, dus dat

was een verschil van 4 gulden, maar daar had je ook een hoop genot van.

Over de eerste dertien jaar als bakkersknecht en over de eerste vijf jaar als

bakker heb ik nu al het een en ander geschreven en ik eindig dan ook met

een paar regeltjes op de volgende bladzijde.

  1. Naast de bakkerij stond ook nog een oude woning, daar woonde een

oude vrouw in, oude Aafje, dat woninkje hoorde ook bij de bakkerij, dat

was bij de koop inbegrepen.

Wij kregen 50 cent huur in de week van oude Aafje, maar nu wij een auto

hadden gekregen, wilden wij die woning wel graag zelf in gebruik hebben

en dan een autohok daarvan maken. Want dat was voor ons een probleem

waar die auto ’s nachts heen moest.

Ik praatte daar zoo over met Teakele Zwart en die zei: ja ik heb wel een

hok voor je, ik gebruik dat zelf al wel wat, maar daar kan de auto wel bij

in.

Maar we hebben wel wat gehad, die eerste winter, ’t was de winter van 29

toen vroor het zoo verschrikkelijk en altijd gladde wegen. We gingen ’s

morgens met een emmer vol kokend water naar ’t hok van Zwart en dat in

de koelbak van de motor en als de auto ’s avonds weer in ’t hok brachten,

direct het water er weer uit, dit ging de hele winter zo door.

  1. Maar we hebben niet zolang de auto daar gehad, want oude Aafje werd

niet goed, ze kreeg een hele dikke tong in de mond dat ze was haast niet

meer te verstaan. ’T Was zowat een jaar later, toen is ze in een gesticht van

ouden van dagen gegaan en wij hebben van de woning een autohok laten

maken.

Wij hadden hem een jaar in Zwart zijn hok gehad en ik zei tegen Zwart,

wat moet ik daarvoor betalen. Zwart zei: we zijn buren hoor, ik dacht van

1 gulden in de week dat was dan 52 gulden per jaar. Wij kregen zelf voor

een woning, waar een vrouw in woonde maar 50 cent, we hadden nog

beter Aafje gratis kunnen laten wonen, want die had het ook niet zo ruim.

  1. Ook hadden we toen de eerste vijf jaar al twee dochters: Griet en Janke.

In geheel zijn we 30 jaar in de bakkerij geweest, over die andere 25 jaar,

zou ik misschien ook nog wel een boek over kunnen schrijven doch ik wil

het eerste gedeelte hiermede beëindigen.

 

  1. Siesling